MIDDEN - DELFLAND

Het is Lente!

Begin maart! De eerste kievitseieren zijn al gevonden. Het lawaai neemt toe. De eerste grutto's en Kieviten zijn al weer terug uit noord en midden Afrika en zijn op zoek naar een geschikte broedlocatie. 
De paden zijn vernoemd naar een aantal Delflandse landmeters van weleer
Grote groepen scholeksters zijn te vinden in een jong natuurgebied 't Kraaienest in de Dorppolder aan de kant van De Lier (bij Zijtwende). Hier is een recreatiegebied in aanleg met moeraspartijen waar vorig jaar al een grote hoeveelheid vogels konden broeden. Dit gebied, op de rand van kassen en weilanden belooft veel voor de toekomst. Dit gebied zal bij nood ook dienen als waterberging.
Het Groot hoefblad (Petasites hybridus) laat ook zijn blad zien (links).
Ook het Klein Hoefblad (Tussilago farfara; rechts) is nu overal te vinden. Evenals bij het Groot Hoefblad komen de bloemen eerst; daarna pas de bladeren. 
Begin april. Op veel weilandjes, zoals hier in de Harnaschpolder in Den Hoorn, vaak tussen de kassen, zijn nu de lammetjes aan het buiten spelen en.... het is eten of slapen in de voerbak.
Ergens anders dansen de Futen hun karakteristieke dansjes waarbij zij tegenover elkaar met hun kopjes schudden voordat (of terwijl) ze aan "kleine fuutjes" denken. 
Langs het fietspad van Den Hoorn naar Schipluiden hebben op een aantal plaatsen Meerkoeten hun nest gemaakt van verdord riet. Snel worden de eieren gelegd en dan is het warm houden en wachten totdat de jonge koetjes met hun rode neus zich melden. De jongen worden gekoesterd door de ouders die hen een aantal weken voorzien van voedsel dat ze opduiken uit het ondiepe water.
De Pinksterbloem (Cardamine pratensis) is er al vroeg bij. Begin april overal te vinden langs de vaarten. 
Paardenstaarten zijn al miljoenen jaren oud. Ten tijde van het Carboon waren ze er al in vele soorten en maten, tot wel 20 meter hoog! De steenkool uit die tijd bevat veel Paardenstaarten. Er zijn er op de wereld nog maar ongeveer 20 soorten van over. Vijf ervan komen voor in Zuid-Holland. In Midden-Delfland komen in ieder geval de Heermoes en Lidrus veel voor. 

Eind maart staat er onder andere langs het fietspad Schipluiden richting Maasland (nabij de Trambrug) een groot aantal langwerpige organismen in het gras, zo'n 15-20 cm groot en zonder enig blad. Het is niet direct duidelijk of het gaat om een plant of en paddestoel? Het blijkt Heermoes (Equisétum arvense), ook Akkerpaardenstaart, te zijn. Aan de top van de steel bevindt zich een aar waaruit sporen door wind en water worden verspreid. Ook ondergronds kruipende stengels zorgen voor vermeerdering. Deze eerste gedaante lijkt weinig op de zomerse gedaante: die lijkt nog het meest op een mini-kerstboompjes.


Vruchtbare aar

De familie van de paardenstaartachtigen is verwant aan de varens. Er is er nu nog één overgebleven namelijk het geslacht Equisétum. Kenmerkend voor de Equisétum zijn de duidelijk gelede meestal holle mergstengels. De zijtakken staan in kransen, afgewisseld door kransen van kleine schubvormige bladeren, die aan de basis met elkaar vergroeid zijn. De Heermoes vormt in het voorjaar vanuit de wortelstok eerst een grijsbruine, vruchtbare stengel met sporenaar. Als de sporen rijp zijn sterven de stengels af. De onvruchtbare, groene stengels verschijnen pas als de sporenaren van de bruine stengels aan het afrijpen zijn.  Deze steriele stengels bestaan uit een ongeveer 20 - 40 cm hoge takken, waarvan het onvertakte boveneinde ver boven de zijtakken uitsteekt. Deze groene takken maken via de fotosynthese of bladgroenverrichting voedsel dat opgestapeld wordt in de ondergrondse stengel of wortelstok. Heermoes komt voor op vochtige akkers, langs wegen, spoorwegen, in bossen, en vooral op kalium- en fosforarme zandgrond. Groeitijd maart-april.

Links:

De aan Heermoes verwante plant Lidrus (Equisétum palustre) komt ook veelvuldig voor in Midden-Delfland en directe omgeving. Lidrus is familie van de Paardenstaarten of Equisétum. De kleur van de sporenaren is donkerder dan die van Heermoes. De plant komt ook voor op vochtige akkers, langs wegen, spoorwegen, in bossen, en vooral op kalium- en fosforarme zandgrond. Groeitijd april-mei. Hoogte tot ca. 60 cm.

Links:

De Vroegeling (Erophila verna) is, zoals de naam aangeeft, een vroeg opkomend en bloeiend en heel klein plantje, 2-15 cm hoog.De bladeren zijn licht behaard. De stengel heeft geen bladeren. De witte bloem heeft twee-spletige blaadjes van 3-6 mm. 
Deze kruisbloemige komt voor op weinig begroeide zandgrond, in akkers en droge schraalgraslanden (hier op het zandlichaam van de wellicht toekomstige snelweg A4). De concurrentie van later opkomende planten kan hij niet aan; in de zomer is hij alweer verdwenen. Bloeitijd februari - mei.
Mandarijneend (mannetje) in de "nieuwe"plas aan de Holierhoek in Schipluiden.

In de kleine moeraslandjes in het centrum van Maasland groeit het Lenteklokje (Leucojum vernum). Of het daar is uitgezet of van nature groeit?.... De witte klokvormige bloemen staan meestal alleen, soms per twee, knikkend aan de steel. De lange dunne bladeren zijn helder groen. De zes kroonblaadjes hebben geel - groene vlekjes aan de top, De plant houdt van kalkrijke, warme standplaatsen in lichte en vochtige loofbossen en struwelen. 

De plant komt eigenlijk nergens meer in Nederland in het wild voor, maar nog wel als stinzeplant. Bloeitijd februari - april.

28 januari 2006